Politiek wetenschapper Timothy Pachirat werkte vijf maanden undercover in een slachthuis en schreef daar een boek met de veelzeggende titel ‘Every 12 seconds’ over. Per dag werden daar 2.500 dieren gedood. Iedere 12 seconden een dier.

Daniëlle Braun en Jitske Kramer halen dit onderzoek in hun geweldige boek ‘De corportate tribe’ aan om het ‘mystificeren van geweld’ te duiden. Ze stellen dat, hoe beschaafd onze samenleving ook lijkt, we nog steeds allerlei mechanismes gebruiken om het gebruik van geweld aanvaardbaar te maken. En hoewel het in het geval van het slachthuis letterlijk om geweld gaat, gebruiken veel organisaties vaak onbedoeld ook ‘geweld’.

Die mechanismes zijn:

  • Onzichtbaar maken. In het voorbeeld van het slachthuis: die liggen vaak op afgelegen terreinen waar je niet zomaar binnen kunt komen. En de bedrijfsarts zit vaak op een externe locatie, of ergens achter in de gang.
  • Compartimentaliseren: ook hier weer: in het slachthuis van het onderzoek zijn de ruimtes waarin levende dieren zitten zorgvuldig afgeschermd van de ruimtes met dode dieren. Niemand ziet een dier zowel dood als levend. Je ziet óf dieren, óf vlees.
  • Ontzielend taalgebruik: over de dieren wordt gesproken als ‘vlees’. In het ziekenhuis ben je ‘patiënt’ en mensen in een verpleeghuis zijn ‘bewoners’. En wat te denken van een ‘vlootschouw’ als het gaat over de jaarlijkse beoordeling van de medewerkers?

Voor mij klonk het allemaal heel vanzelfsprekend. Want:

  • Het is verschrikkelijk om dieren te doden (dat vindt toch iedereen???). Door het op deze manier als een ‘proces’ in stukjes te knippen wordt het enigszins hanteerbaar. Logisch.
  • Uit het onderzoek van Pachirat werd bovendien duidelijk dat de werkers in het slachthuis bijna nooit autochtone Amerikanen zijn, maar immigranten uit Centraal- en Zuid-Amerika, Oost-Afrika en Zuid-Oost Azië. Ah ja, zie je wel. Het zijn toch de kanslozen, degenen met weinig perspectief, die dit werk doen. ‘Gewone’ burgers lenen zich hier niet voor.
  • En last but not least: de knocker, degene die het dier echt dood maakt (de rest is ‘slechts’ uitsnijder, kwaliteitscontroleur, etc), is een solist. Hij is sociaal geïsoleerd en wordt gemeden door de andere medewerkers. Precies. Een normaal denkend mens zou dit werk namelijk niet willen doen.

En zie daar de valkuil van mijn eigen gelijk. Het past zo goed in mijn straatje allemaal, dat ik niks meer ter discussie hoef te stellen.

Tot deze week.

Sinds een paar maanden heeft onze bakker een nieuwe medewerkster. Klantvriendelijk, vrolijk, altijd in voor een praatje. Van de week vertelde ze iets over haar vorige werk. Haar ogen gingen stralen. Ja, ze miste het enorm: ambachtelijk werk, afwisselend, fijne collegiale sfeer. Om gezondheidsredenen had ze helaas moeten stoppen. Maar wát een mooi vak: werken in een slachthuis.

Mijn mond viel open. Hoorde ik dat goed? Nee hoor, geen enkel probleem met het doden van dieren. Ze hadden namelijk een heel mooi leven gehad. Ja, supergoede sfeer tussen collega’s onderling. En ja, je zag het dier levend binnenkomen, maar dat was alleen maar fijn. Zo wist je precies aan welk dier je aan het werken was.

Ik was nog aan het bijkomen van deze mededeling toen ze en passant vertelde dat ze jarenlang een eigen pinguïn-show had gehad in Engeland. Maar nu moest ze toch echt weer aan het werk. Dus dát verhaal hoor ik hopelijk een volgende keer.

Hoe dan ook, in één klap bracht ze al mijn boekenwijsheid-overtuigingen aan het wankelen.

Maar dat niets is wat het lijkt, die hou ik toch nog even vol 😉.

 

foto: Erik Johansson, The Cover Up